Christiaan Huygens (1629-1695) bouwde in 1656 de eerste klok die door een slinger werd geregeld. Daarmee werd tijdmeting in één klap tientallen keren nauwkeuriger, en kregen sterrenkundigen, zeelieden en gewone burgers voor het eerst een uurwerk waarop ze konden vertrouwen. De oudste bewaard gebleven slingerklok staat in Leiden.
De klokken van Huygens in het kort
| Uitvinder | Christiaan Huygens, geboren op 14 april 1629 in Den Haag en daar overleden op 8 juli 1695 |
|---|---|
| Eerste werkende slingerklok | Door Huygens zelf gedateerd op 25 december 1656 |
| Octrooi | Aangevraagd op 14 juni 1657 en twee dagen later verleend |
| Klokkenmaker | Salomon Coster in Den Haag (overleden in 1659) |
| Belangrijkste boek | Horologium Oscillatorium, Parijs 1673 |
| Te zien | Rijksmuseum Boerhaave, Leiden |
Een kwartier per dag ernaast
Wie in de eerste helft van de zeventiende eeuw wilde weten hoe laat het was, moest niet te veel verwachten. Mechanische uurwerken liepen al gauw een kwartier per dag voor of achter. Voor een marktkoopman was dat geen ramp, maar voor een sterrenkundige die het moment van een waarneming wilde vastleggen was zo’n klok vrijwel onbruikbaar.
Het idee om een slinger te gebruiken was niet nieuw. Galileo Galilei had rond 1602 gezien dat een slinger heel regelmatig heen en weer gaat, en in 1637 beschreef hij aan zijn zoon Vincenzo een mechaniek om daarmee de tijd bij te houden. Vincenzo begon er in 1649 aan, maar voltooide het niet. Het was de Haagse wis- en natuurkundige Christiaan Huygens, tweede zoon van de dichter en diplomaat Constantijn Huygens, die de slinger als eerste echt aan een uurwerk koppelde. Hij was toen 27 jaar en had een jaar eerder al de Saturnusmaan Titan ontdekt.
Kerstmis 1656
Huygens dateerde zijn uitvinding zelf op 25 december 1656: op die dag had hij een werkende klok. Een halfjaar later, op 14 juni 1657, vroeg hij octrooi aan, dat hij twee dagen daarna kreeg. Het bouwen liet hij over aan een vakman, de Haagse klokkenmaker Salomon Coster. Die mocht de nieuwe uurwerken maken en verkopen, en zette dat ook op de wijzerplaat.
Het resultaat was verbluffend. Volgens de gangbare schatting ging de afwijking van ongeveer vijftien minuten naar ongeveer vijftien seconden per dag. Rijk werd Huygens er niet van. Al in 1658 werd het ontwerp nagemaakt, onder meer door Simon Douw in Rotterdam en Ahasuerus Fromanteel in Londen. Coster zelf overleed plotseling in 1659.
Van klok naar wiskunde
Huygens beschreef zijn vinding in 1658 in een korte verhandeling, Horologium. Maar hij was er niet tevreden mee. Een gewone slinger is namelijk niet helemaal gelijkmatig: een wijde zwaai duurt een fractie langer dan een kleine. In 1659 vond hij de oplossing in de meetkunde. Als het gewicht niet langs een cirkelboog beweegt maar langs een cycloïde, de kromme die een punt op een rollend wiel beschrijft, duurt elke zwaai precies even lang. Om de slinger in die baan te dwingen hing hij hem tussen twee gebogen metalen plaatjes, de zogeheten wangen.
Die gedachte groeide uit tot zijn hoofdwerk, Horologium Oscillatorium, dat in 1673 in Parijs verscheen. Huygens werkte daar sinds 1666 aan de nieuwe Académie des sciences. Het boek is opgedragen aan Lodewijk XIV, opmerkelijk genoeg op een moment dat Frankrijk in oorlog was met de Republiek. Het begint als een beschrijving van een klok, maar gaat al snel over veel meer: de valbeweging, de wiskunde van krommen, het slingerpunt van een samengestelde slinger en de middelpuntvliedende kracht. Het geldt als een van de belangrijkste boeken over mechanica uit de zeventiende eeuw, naast werk van Galilei en Newton. Newton zelf erkende dat hij er veel aan te danken had.
Klokken op zee en in de broekzak
Huygens had met zijn klok een praktisch doel voor ogen. Wie op zee precies weet hoe laat het thuis is, kan uitrekenen hoe ver hij naar het oosten of westen is gevaren. De lengtebepaling was het grote onopgeloste probleem van de zeevaart. Proefvaarten vielen echter tegen: het slingeren van het schip bracht de slinger in de war. Een Engelse kapitein meldde in 1664 een geslaagde proef, maar aan dat verslag wordt door historici getwijfeld. Een Franse expeditie naar Cayenne liep slecht af, en ook na een reis van de VOC naar Kaap de Goede Hoop in 1686 bleef een doorbraak uit.
Meer succes had een tweede vinding. In 1675 ontwierp Huygens een horloge waarin een spiraalveertje de rol van de slinger overnam. De Parijse klokkenmaker Isaac Thuret bouwde zulke horloges voor hem. Over de vraag wie de eerste was, kreeg hij ruzie met de Engelsman Robert Hooke, die rond dezelfde tijd met een vergelijkbaar ontwerp kwam. Die kwestie is nooit helemaal beslecht. In 2006 doken in Engeland verloren gewaande aantekeningen van Hooke op die zijn aanspraak lijken te steunen.
De slingerklok bleef intussen eeuwenlang de standaard. Pas de kwartsklok, uitgevonden in 1927, was nauwkeuriger.
Waar zijn de klokken te zien?
Het oudste bewaard gebleven slingeruurwerk ter wereld staat in Rijksmuseum Boerhaave aan de Lange St. Agnietenstraat in Leiden. Het is in 1657 door Coster gebouwd, dus binnen een jaar na de uitvinding. Op de wijzerplaat staat: Salomon Coster Haghe met privilege 1657. Het museum rekent de klok tot zijn topstukken en bewaart ook telescooplenzen van Huygens. In februari 2025 droeg de Universiteit Leiden ongeveer drieduizend historische instrumenten, die al sinds 1928 in bruikleen waren, definitief aan het museum over; de lenzen horen daarbij.
Wie wil zien waar Huygens zijn laatste jaren doorbracht, kan naar Hofwijck in Voorburg. Hij erfde het buitenhuis in 1687 van zijn vader en ging er in 1688 wonen. Het is nu een museum, waar onder meer een pastelportret van Huygens uit 1686 hangt, gemaakt door Bernard Vaillant.
Bronnen: Wikipedia, Christiaan Huygens, Linda Hall Library, Guinness World Records, oudste slingerklok, Canon van Nederland. Laatst bijgewerkt: 10 oktober 2026.
