Romeyn de Hooghe (1645-1708) was de scherpste prentmaker van de Republiek. In het Rampjaar 1672 en de jaren daarna zette hij met zijn etsnaald vorsten, bisschoppen en regenten te kijk en koos hij openlijk partij voor de jonge prins Willem III. Zijn werk geldt als een vroeg hoogtepunt van de politieke spotprent.

Romeyn de Hooghe in het kort

Gedoopt 10 september 1645 in Amsterdam
Begraven Juni 1708 in de Sint-Bavo in Haarlem
Beroep Etser, tekenaar, schilder, schrijver en jurist
Omvang van het werk Ongeveer 3500 prenten
Bekend van Nieuws- en spotprenten over 1672 en over Lodewijk XIV
Te zien Rijksmuseum, Amsterdam (online collectie)

Een land in het nauw

In het voorjaar van 1672 werd de Republiek van vier kanten tegelijk aangevallen: door Frankrijk, Engeland en de bisschoppen van Munster en Keulen. De oorlog begon in maart met een aanval op een Nederlandse koopvaardijvloot, en op 6 april volgde de Franse oorlogsverklaring. Het Franse leger rukte snel op. Pas toen op 22 juni het land onder water werd gezet, kwam de opmars naar Holland tot staan.

In de paniek zocht men schuldigen. Die werden gevonden in raadpensionaris Johan de Witt en zijn broer Cornelis, de leiders van het bewind zonder stadhouder. Op 3 juli benoemden de Staten van Holland de jonge prins Willem III tot stadhouder. Op 20 augustus werden de broers De Witt in Den Haag door een menigte vermoord, nadat die de gevangenis had bestormd.

Dertien prenten in één jaar

De Hooghe was op dat moment een jaar of zesentwintig. Hij was in 1668 in Parijs geweest, zoals blijkt uit prenten die hij daar dateerde, en noemde zich vanaf 1670 in Amsterdam etser. Over de gebeurtenissen van 1672 maakte hij volgens zijn biograaf Jeanine Otten dertien prenten. Eén daarvan toont de benoeming van Willem III tot kapitein-generaal, drie gaan over de moord op de gebroeders De Witt.

Het jaar daarna bleef hij het nieuws op de voet volgen. Hij bracht de zeeslagen bij Schooneveld en Kijkduin in beeld, het beleg van Naarden en het optreden van Franse troepen in Zwammerdam en Bodegraven eind december 1672. In 1674 verscheen zijn Schouwburgh der Nederlandse Veranderingen, waarin hij de gebeurtenissen van de oorlogsjaren in beeld bracht.

Zulke prenten waren geen neutrale verslaggeving. De Hooghe steunde de zaak van de stadhouder en liet dat merken: de prins als redder, de Franse koning als geweldenaar en de regenten rond De Witt als de mannen aan wie het onheil te wijten was.

Draai de prent om

Het geestigste voorbeeld is een klein blad van veertien bij nog geen twaalf centimeter, dat het Rijksmuseum aan De Hooghe toeschrijft. Er staan portretten op van de hoofdrolspelers van 1672. Wie het blad ondersteboven houdt, ziet in elk portret een tweede kop verschijnen, die volgens de maker de ware aard van de afgebeelde onthult.

  • Lodewijk XIV van Frankrijk wordt een leeuw.
  • Karel II van Engeland wordt een tijger.
  • De aartsbisschop van Keulen, Hendrik van Beieren, wordt een ezel.
  • De bisschop van Munster wordt een zwijn.
  • Johan en Cornelis de Witt worden een vos en een wolf.
  • Willem III komt er het best van af: hij verandert in de oorlogsgod Mars.

De boodschap is niet subtiel, en dat was ook niet de bedoeling. Het blad maakt in één oogopslag duidelijk wie de vijand is en wie de held. Dat de gebroeders De Witt tussen de buitenlandse vijanden staan, zegt veel: velen hielden hen verantwoordelijk voor de oorlog.

Propagandist van de prins

De Hooghe bleef Willem III zijn leven lang trouw. In 1688 reisde hij volgens de Van Diepen Collectie mee in het gevolg van de prins bij diens overtocht naar Engeland, zodat hij de gebeurtenissen uit eigen waarneming kon tekenen. Uit die jaren stammen ook felle spotprenten op Lodewijk XIV en de Engelse koning Jacobus II. In 1690 ontwierp hij samen met Govert Bidloo de erepoorten voor de intocht van Willem III in Den Haag.

Zijn werkplaats was een bedrijf op zich, met naar verluidt een veertigtal medewerkers. Hij illustreerde boeken, tekende kaarten en ontwierp wandschilderingen. In 1675 werd hij door de Poolse koning Jan Sobieski in de adelstand verheven. De historicus Simon Schama noemde hem de eerste grote moderne satirische prentkunstenaar; anderen zien in zijn prentenreeksen een voorloper van het beeldverhaal.

Schandaal in Haarlem

Begin 1687 vestigde De Hooghe zich in Haarlem. Hij bekleedde er een rechterlijk ambt, maakte in 1688 een grote kaart van de stad en promoveerde in 1689 in Harderwijk in de rechten. Willem III benoemde hem dat jaar tot commissaris van de steengroeven bij Lingen; De Hooghe hield toezicht op de steen voor Paleis Het Loo. In zijn huis aan de Nieuwe Gracht hield hij een tekenschool.

Zijn partijkeuze maakte hem ook vijanden. In 1689 en 1690 woedde er een pamflettenstrijd waarin Amsterdamse tegenstanders van de stadhouder hem van godslastering, diefstal, vervalsing en het maken van obscene prenten beschuldigden, en van nog erger. Medestanders namen het voor hem op, tot de Haarlemse burgemeesters hem in augustus 1690 verboden nog pamfletten te schrijven. Wat er van de aantijgingen waar was, valt hier niet vast te stellen. In 1706 en 1707 verscheen nog zijn tweedelige Spiegel van Staat des Vereenigde Nederlands. Hij werd in 1708 in de Haarlemse Sint-Bavo begraven. Otten geeft 15 juni als dag van de begrafenis; elders worden 10 juni als sterfdag en 15 juli als begraafdatum genoemd.

Waar is zijn werk te zien?

Veel prenten van De Hooghe worden bewaard in het Rijksmuseum in Amsterdam. De omkeerprent heeft daar objectnummer RP-P-OB-77.048. Het museum bewaart ook een tekening van de verminking van de lijken van de gebroeders De Witt, al wordt de toeschrijving daarvan aan De Hooghe betwist. Prenten en tekeningen zijn voor iedereen te bekijken in de online collectie van het museum.

Bronnen: Rijksmuseum, omkeerprent 1672, DBNL, Jeanine Otten, Biografie van Romeyn de Hooghe, Wikipedia, Rampjaar, Van Diepen Collectie. Laatst bijgewerkt: 10 oktober 2026.