Onder de recreatieplas De Bijland bij Herwen, vlak bij de plek waar de Rijn Nederland binnenkomt, liggen de resten van een Romeinse legerplaats die Carvium heette. Het is een van de weinige plaatsen aan de Nederlandse limes waarvan de Romeinse naam op een ter plekke gevonden steen staat. Sinds 2021 hoort een deel van het terrein bij het UNESCO-werelderfgoed Neder-Germaanse Limes.
Carvium in het kort
| Plaats | Herwen en Tolkamer, gemeente Zevenaar (voorheen Rijnwaarden), Gelderland |
|---|---|
| Romeinse naam | Carvium, op een grafsteen: Carvio ad molem (‘te Carvium bij de dam’) |
| Periode | Eerste tot derde eeuw na Christus, mogelijk ook de vierde eeuw |
| Wat is er gevonden | Grafsteen van Marcus Mallius, bouwpuin, bronzen vaatwerk, een zwaardschede, een altaar met de naam van een legereenheid |
| Status | Onderdeel van UNESCO-werelderfgoed (2021); rijksmonument De Bijland |
| Te bezoeken | Replica van de grafsteen in Herwen, informatiepanelen bij De Bijland, Liemers Museum in Zevenaar |
Een grafsteen uit de baggermolen
In 1938 werd in de Bijlandse Waard zand en grind gewonnen. De emmerbaggermolen haalde daarbij niet alleen grind naar boven, maar ook Romeins bouwpuin, aardewerk, bronzen ketels en vaatwerk en een versierde zwaardschede. Het bekendste stuk is een grafsteen. De tekst vertelt dat Marcus Mallius, zoon van Marcus, afkomstig uit Genua en soldaat van het Eerste Legioen, op 35-jarige leeftijd na zestien dienstjaren is gestorven en ‘te Carvium bij de dam’ is begraven. Twee erfgenamen lieten de steen plaatsen, zoals hij in zijn testament had bepaald.
Met die ene regel was de naam van de plek bekend. De naam leeft waarschijnlijk voort in Herwen, dat in 897 als Harauua in de bronnen staat. De originele steen staat in het Valkhof Museum in Nijmegen; de zwaardschede en het bronzen vaatwerk kwamen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden terecht.
De dam van Drusus
De dam op de grafsteen wordt meestal gelijkgesteld aan het waterwerk dat de Romeinse veldheer Drusus kort voor het begin van de jaartelling liet aanleggen bij de splitsing van Rijn en Waal. De dam moest meer water naar de noordelijke Rijntak sturen, zodat de vloot voldoende vaarwater had. De geschiedschrijver Tacitus vertelt dat de Bataafse leider Julius Civilis de dam in het jaar 70 liet vernielen.
Waar de dam precies lag, weet niemand. De baggeraars van 1938 stuitten op een strook steenpuin van ongeveer 200 bij 70 meter waar hun machine omheen moest. Archeoloog W.J.H. Willems betoogde al rond 1980 dat dit niet de dam kan zijn, maar eerder door de rivier verplaatst puin van een fort. Onderzoeker Wil Kuijpers gaat verder: op grond van waterbouwkundige argumenten en vondsten bij Spijk, drie kilometer oostelijker, betwijfelt hij of de dam wel bij Herwen lag.
Een fort dat lang zoek was
Dat hier soldaten gelegerd waren, staat vast. Een opgebaggerd altaar noemt de Cohors II civium Romanorum equitata pia fidelis, een eenheid van Romeinse burgers met een ruiterafdeling, die er vermoedelijk in de tweede eeuw lag. Over het begin zijn de bronnen het niet eens. Livius.org houdt het op losse vondsten vanaf het tweede kwart van de eerste eeuw; Willems wees erop dat er, afgezien van de grafsteen, nauwelijks materiaal van voor het jaar 70 is opgebaggerd. Het einde wordt meestal rond 275 gelegd, toen veel forten aan de Rijn werden opgegeven, met mogelijk een terugkeer in de vierde eeuw.
De vondstlaag ligt volgens duikonderzoek van Jan Verhagen negen tot dertien meter onder de waterspiegel. In 2006 is de plasbodem met sonar in kaart gebracht. Pas in 2018 kwam er op het droge houvast: bij onderzoek voor de werelderfgoednominatie, onder leiding van Rien Polak, werden aan de rand van Herwen grachten gevonden, zo’n 250 meter van de plas. Het rijksmonumentenregister omschrijft het beschermde terrein voorzichtiger, als resten van tijdelijke Romeinse kampen uit de eerste tot derde eeuw.
Dat Carvium nu op de noordoever van de Rijn ligt, de ‘verkeerde’ kant van de grens, komt door de rivier zelf. Rijn en Waal hebben hun loop sinds de Romeinse tijd flink verlegd.
Het heiligdom van Herwen-Hemeling
In 2021 vonden vrijwilligers in archeologie bij Herwen-Hemeling een grindlaag die ze voor een Romeinse weg hielden. De opgraving die volgde, bracht een heiligdom aan het licht met een tempelgebouw, een waterput met trap, beschilderd pleisterwerk en altaarstenen met goed leesbare inscripties, onder meer voor Hercules Magusanus en Mercurius. Mantelspelden wijzen op gebruik vanaf de eerste eeuw; munten en inscripties lopen door tot ongeveer 220-230. Er zijn zo’n 80.000 voorwerpen geborgen. De wijdingen zijn van militairen, wat goed past bij een garnizoen in de buurt.
Wat is er nu te zien?
Van het fort zelf is niets zichtbaar: het ligt grotendeels onder water. Toch valt er genoeg te bekijken.
- Op de dijk bij Herwen (Puttmanskrib) staat een replica van de grafsteen van Marcus Mallius.
- Bij recreatieplas De Bijland in Tolkamer vertellen informatiepanelen over het fort. Op het strand staat het tien meter hoge kunstwerk De Baadster.
- Het Liemers Museum in Zevenaar (Kerkstraat 27c) toont vondsten uit de omgeving, waaronder stukken van De Bijland en van Herwen-Hemeling.
- De originele grafsteen staat in het Valkhof Museum in Nijmegen.
Bronnen: Nederlandse Limes Samenwerking, Livius.org, Rijksmonumentenregister (RCE), Vici.org. Laatst bijgewerkt: 10 oktober 2026.
