De Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam, kortweg de VVHK, werd in 1874 opgericht door Amsterdamse burgers die hun stad een verzameling eigentijdse kunst wilden geven. Ze staat ook bekend als de Vereniging met de lange naam. Haar schilderijen vormen een van de fundamenten onder de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam.
De Vereniging met de lange naam in het kort
| Volledige naam | Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (VVHK) |
|---|---|
| Opgericht | 1874, op initiatief van koopman-bankier C.P. van Eeghen |
| Doel | Een openbare stedelijke verzameling van eigentijdse kunst |
| Zwaartepunten | Haagse School, Amsterdamse impressionisten, Franse schilderkunst van de negentiende eeuw |
| Opgeheven | 1978 |
| Collectie nu | Stedelijk Museum Amsterdam |
Burgers bouwen een verzameling
In 1874 nam de koopman-bankier Christiaan Pieter van Eeghen met een groep vooraanstaande stadgenoten en kunstliefhebbers het initiatief om voor Amsterdam een verzameling van eigentijdse kunst aan te leggen. Ze moest openbaar zijn en de stad ten goede komen. Tot de oprichters hoorden ook Abraham Willet en zijn studievriend Felix Vriese.
De naam die ze kozen, zei precies wat ze wilden, en was daardoor erg lang. Vandaar de bijnaam Vereniging met de lange naam; in de museumwereld is de afkorting VVHK gebruikelijk. Wie de bronnen naast elkaar legt, ziet de naam overigens in allerlei varianten gespeld.
De collectie groeide door aankopen, schenkingen en legaten. Een voorbeeld: in 1895 liet de weduwe van medeoprichter Vriese 23 schilderijen aan de vereniging na.
Van zaal naar zaal
Een eigen gebouw had de vereniging niet. De schilderijen hingen eerst in het voormalige Oudemannenhuis en daarna in het Museum Van der Hoop. In 1885 kreeg de VVHK onderdak in het pas voltooide Rijksmuseum van architect Cuypers. De collectie telde toen een veertigtal schilderijen. Samen met de werken uit Paviljoen Welgelegen en een deel van de collectie-Van der Hoop vormde ze op de eerste verdieping een rondgang van vijf zalen onder de noemer moderne kunst.
Het eigenlijke doel was een eigen museum. Dat kwam binnen bereik door de nalatenschap van de weduwe Sophia Lopez Suasso-de Bruyn, die in 1890 overleed. Ze liet de stad een verzameling kunst en antiek en een aanzienlijk geldbedrag na. Ook de familie Van Eeghen droeg bij aan de bouwkosten. In 1891 stemde de gemeenteraad in met de bouw van een museum op een terrein achter het Rijksmuseum, aan de Paulus Potterstraat.
Een thuis in het Stedelijk
Stadsarchitect A.W. Weissman ontwierp het gebouw in neorenaissancestijl. Na zijn eerste schets stuurde de begeleidingscommissie, waarin ook de schilders Israëls en Mesdag zaten, hem op reis langs buitenlandse musea. Het herziene ontwerp kreeg een grote erezaal. In september 1895 werd het Stedelijk Museum geopend door burgemeester Vening Meinesz. Over de dag verschillen de bronnen: de een noemt 14, de ander 16 september.
De VVHK kreeg in het nieuwe gebouw een vaste plek. Het Stedelijk was in die eerste jaren een verzamelgebouw. Behalve de schilderijen van de vereniging waren er de nalatenschap van mevrouw Lopez Suasso, militaria van de Amsterdamse schutterij, Aziatische kunst en zelfs voorwerpen uit een uurwerkenmuseum en een medisch-farmaceutisch museum. Het museum zelf ging pas omstreeks 1930 actief kunst aankopen; tot die tijd was het vooral de vereniging die de schilderijenverzameling liet groeien.
Wat de vereniging verzamelde
De nadruk lag op de schilders van de Haagse School, op de Amsterdamse impressionisten en op Franse meesters uit de negentiende eeuw. Erg vooruitstrevend was dat niet, zo luidt het latere oordeel.
Toch kwamen er via de vereniging werken binnen van schilders die nu tot de grote namen horen. Uit haar bezit stammen schilderijen van Breitner, Cézanne, Corot, Courbet, Van Gogh en Jongkind. Een paar voorbeelden die in de collectiecatalogus van het Stedelijk als schenking van de VVHK staan vermeld:
- Paul Cézanne, La Montagne Sainte-Victoire (omstreeks 1888)
- George Hendrik Breitner, Aan boord (omstreeks 1897)
- Johan Barthold Jongkind, Rouen bij zonsondergang (1852)
- J.H. Weissenbruch, Gezicht op drie molens (1890)
- Ferdinand Hart Nibbrig, Tarweschoven (1904)
Van vereniging naar gemeente
In 1924 vierde de vereniging haar vijftigjarig bestaan, en tot laat in de jaren dertig bleef ze een factor van belang in het Stedelijk. In 1932 kwam er een aankoopcommissie met twee leden van de vereniging en twee van de gemeente, die toezicht hield op alle kunstaankopen. De banden waren nauw: David Röell, die in 1936 directeur werd, was secretaris van de VVHK.
In 1945 werd Willem Sandberg directeur. In de jaren daarna droeg de vereniging haar bezit over aan het museum. Het doek van Cézanne staat te boek als schenking uit 1949, en in 1962 was het grootste deel van de verzameling overgedragen. De vereniging zelf verloor haar invloed en werd in 1978 opgeheven.
Waar is de collectie te zien?
De werken van de VVHK maken deel uit van de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam aan de Paulus Potterstraat. In de online collectie van het museum zijn ze te herkennen aan de vermelding schenking Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (VVHK). Niet alles hangt op zaal. In het tijdschrift De Witte Raaf is opgemerkt dat juist de vele aanwinsten van voor 1910 zelden worden getoond. Wie voor een bepaald schilderij komt, doet er dus goed aan vooraf na te gaan of het is opgesteld.
Bronnen: Amsterdam op de kaart, Stedelijk Museum, De Witte Raaf, Het Rijksmuseum en de moderne kunst, Wikipedia, Stedelijk Museum Amsterdam, Stedelijk Museum, collectie online. Laatst bijgewerkt: 10 oktober 2026.
